vrijdag 8 maart 2019 is de expositie OVERLOOKED van Hugo Kaagman te ArtKitchen Gallery Kaagman took his imagery directly from comic books and advertising. Rather than emphasize his painting process and his own inner, emotional life in his art, he mimicked his borrowed sources right down to an impersonal-looking stencil process that imitated the mechanical printing used for commercial art.
19 maart 2019 / 11 19 maart 2019 / 10 Graffiteur Een stempel op  de eeuwigheid   Voorbij is de tijd waarin graffiti uitsluitend werd  vereenzelvigd met vandalisme. Maar graffiti is niet langer  zijn ding. Hugo Kaagman (64), een van de eerste graffiteurs  in Nederland, is nu dankzij het postmodernisme de  peetvader van de Nederlandse street art. Als zzp’er komt  hij op bestelling in zijn busje voorrijden. Zijn talloze  opdrachten komen uit binnen- en buitenland. Voor Argus  ging hij nog eenmaal ’s nachts op pad.  door RUDIE KAGIE  I n de kleine uurtjes, als wer- kend Amsterdam de bed- lampjes uitknipt, mocht hij er  graag met zijn spuitbus tus- senuit knijpen. Het hoofdste- delijke straatmeubilair ongevraagd  opleuken met visueel commentaar  op de alledaagse waanzin, daar ge- noot hij van;  heupflesje wodka in  de binnenzak, stevige joint tussen  de lippen. Te vaak strandde zijn  spontane rondgang onder de tl-bui- zen van een politiecel, waar hij tot  het ochtendgloren in gezelschap  van dronkaards en zakkenrollers  verkeerde. Een heterdaadje komt  tegenwoordig op 167 euro plus  schoonmaakkosten.   Bij het klimmen der jaren ver- loor voor hem de burgerlijke onge- hoorzaamheid haar glans en had hij  het gezien met de onregelmatige  buitendienst die bij het produceren  van maatschappijkritische sja- bloonkunst is inbegrepen. Niet dat  workaholic Hugo Kaagman over- weegt het rustiger aan te doen,  maar the Dutch Godfather of Sten- cil Graffiti (titel van een aan hem  gewijd plaatwerk) heeft reden om  de luwte van het atelier boven het  asfalt te verkiezen.   Tegenwoordig werkt hij vrijwel  uitsluitend in opdracht – en dat be- tekent dat zijn uitingen geen graf- fiti meer zijn, maar onder de noe-  mer street art vallen. Gebouwen,  staarten van vliegtuigen van British  Airways, maar ook keramiek,   T-shirts, Hema-serviesgoed, fiets- bellen, locomotieven en betonwa- gens voorzag hij van afbeeldingen  die onmiskenbaar zijn signatuur  dragen. Binnen Amsterdam geldt  zijn werk zelfs als erfgoed, zijn  Delfts blauwe voorstellingen dui- ken overal op, en zijn spraakma- kende Stoperaschutting uit 1983  werd toegevoegd aan de collectie  van het Amsterdam Museum. Het  kan verkeren, want juist op het  deel van zijn oeuvre waarmee hij  nu de meeste eer inlegt, ketste eer- der een subsidieverzoek af, ‘zijnde  niet van belang voor de Neder- landse kunst’. Bij sociëteit Arti  kwam hij aanvankelijk niet door de  ballotage omdat het geen kunst zou  zijn wat hij maakt, maar daar den- ken de connaisseurs inmiddels ge- nuanceerder over. Met dank aan  Keith Haring, die door alle grote  musea tot cultheld van de jaren  tachtig werd uitgeroepen.   Kaagman: “Haring deed wat ik  wou doen, maar hier niet werd be- grepen. Ik weet nog dat galerie  Delta in 1984 werk van de graffi- teur Jean-Michel Basquiat inbracht  op een tentoonstelling in de  Nieuwe Kerk. Daar werd moeilijk  over gedaan, want hoorde kunst  van de straat wel thuis op een art  fair? Dat Basquiat tienduizend gul- den voor een doek durfde vragen,  was helemaal een schandaal. Had  ik er maar een gekocht. Ik ken ie- mand die dat deed, die heeft er een  huis in Spanje van laten bouwen.”   Voorbij is de tijd waarin graf-fiti uitsluitend werd vereen-zelvigd met vandalisme. Ze  zijn er nog, de die-hards die zwe- ren bij collateral damage op brug- gen of die het dak van een rijdende  metro beklimmen om de boel  onder te spuiten, maar die variant  vindt de pionier van de straatkunst  niet interessant. De serieuze beoe- fenaars van het genre rekenen het  tot hun opdracht de openbare  ruimte te verfraaien; wie zich niet  aan de code houdt, heeft het ver- bruid bij de vakgenoten. De kick  zit ’m in sporen achterlaten; in het  pre-internettijdperk zagen sommi- gen dit als de enige manier om hun  stem te laten horen. Wisten we  trouwens dat de oorlog in Syrië  begon met anti-Assadgraffiti van  een scholier die werd opgepakt, ge- marteld en nu spijt heeft van zijn  daden? “Staat op YouTube! Het  hele land is naar de klote en daar- van geeft die jongen zichzelf de  schuld.” Hugo Kaagman spreekt  over een wereld die de zijne niet is.  Graffiti is niet langer zijn ding. Als  zzp’er komt hij op bestelling in  zijn busje voorrijden.   Totdat Argus op de stoep staat  met het verzoek om nog één keer  de frisse avondlucht te trotseren,  dit keer om de openbare ruimte te  verlevendigen met een illustratie  die verwijst naar de favoriete ver- slaggever uit Rommeldam. In een  reflex flapt de pionier van de urban  art eruit: “Gaan we doen!” Hij gaat  meteen aan het werk. In een mum  van tijd heeft hij een plaatje van  Argus van internet geplukt, geprint  en uitvergroot. De afdruk legt hij  op een kartonnen ondergrond en  dan begint het uitsnijden van de af- beelding, razendsnel, hij is vlugger  met het stanleymes dan met de te- kenpen. Op grond van ruim veertig  jaar ervaring – in 1977 debuteerde  hij als graffiteur – voelt hij feilloos  aan waar hij ruimte moet uitsparen  om te voorkomen dat het sjabloon  gaat scheuren. Met dank aan de di- gitale vooruitgang hoeft hij niet  meer met een boek onder de arm  naar de copyrette om de illustratie  uit te vergroten voordat hij daar- mee aan de slag kan. Een A4’tje  kan hij moeiteloos opblazen tot een  lap van wel twee meter lang, vroe- ger bij een specialist in kopieer- technieken, tegenwoordig via een  digitaal procedé. De vooruitgang  tastte zijn werkwijze nauwelijks  aan. Het gaat nog steeds om het  uitsnijden van een afbeelding,  zodat er een mal ontstaat waarmee  hij de straat op gaat.   Zoals vanavond, als hij de Sar- phatibuurt zal laten kennismaken  met het Argusfiguurtje. Om dit kar- wei op te knappen heeft hij drie at- tributen nodig: een handschoen,  het sjabloon en een spuitbus. Alsof  hij daartoe een zesde zintuig ont- wikkelde, ontwaart hij op straten  en pleinen direct de maagdelijke  plekken die hij kan invullen met  het icoontje. Met de rechterhand,  tegen verfspatten beschermd door  een handschoen, drukt hij het pa- pier tegen de ondergrond waar hij  de illustratie op zal aanbrengen.  Met de andere meesterhand bedient  hij de spuitbus. Psst, psst…  Drie,  vier seconden, langer duurt het niet  voordat de kunstenaar alweer een  stempel op de eeuwigheid heeft ge- drukt. Letterlijk vlekkeloos, zonder  gespetter of geklieder. Razendsnel  gaat het, in hetzelfde springerige  tempo waarin hij denkt, praat, zich  voortbeweegt en zijn sjablonen  snijdt. Een goed half uur dwaalt hij  door de wijk, totdat hij het na het  aanbrengen van een dozijn Argus- hoofdjes voor gezien houdt.  Bij de koffie in galerie Art-Kitchen in de Hemonylaan, waar zijn expositie Over- looked tot eind deze maand de  wanden vult, zal hij later alles toe- lichten. Hij loopt onderhand lang  genoeg mee om de eretitel peetva- der van de Nederlandse street art te  kunnen opeisen, al was hij tevens  de grondlegger van het stencil- genre: schilderijen gemaakt met  sjablonen. Hij studeerde sociale  geografie, was liever naar de  kunstacademie gegaan, maar dat  was geen optie die aansloot bij de  ouderlijke boodschap: ‘Tekenen is  een hobby, geen vak.’   In de jaren zeventig raakte hij on- dergedompeld in de Amsterdamse  punkscene, bewoonde kraakpanden  en was een drijvende kracht achter  grensverleggende galerieën die  even snel kwamen als gingen:  DDT (1978), Anus (1979), Ozon  (1980), Zebra (1981). En dan  draaide hij met zijn toenmalige  gade, de dichter Diane Ozon, ook  nog aan de drukpers waar het ‘fan- zine’ Koekrandt vanaf rolde. Beetje  dadaïstisch, heftige collages met de  dreigende ondergang van planeet  Aarde als thema. Na zijn eerste le- gale graffiti-opdracht in 1983 zou- den er talloze opdrachten in  binnen- en buitenland volgen. Rei- zend door Marokko en Senegal  raakte hij in de ban van de Arabi- sche kunst en architectuur. Groot- ste ontdekking: de wereld zit heel  anders in elkaar dan hem was voor- geschoteld – een inzicht dat uit- groeide tot een leidende gedachte  die in zijn oeuvre zit verstopt.   Alleen al in het woord sjabloon  herkent menige criticus een provo- catie, want kenmerk van kunst is  juist de unieke authenticiteit die  haaks staat op de mogelijkheid tot  reproduceren waarin het sjabloon  voorziet. “Ik was de eerste die de  methode gebruikte om er kunst  mee te maken,” zegt Kaagman. “De  techniek op zichzelf is eeuwenoud.  In de oertijd plaatsten holbewoners  een hand tegen de wand van de  grot, daar bliezen ze met een pijpje  bloed tegenaan en dan hadden ze  een afdruk. Ik ben een postmoder- nist in de ware betekenis van het  woord. Je mag elke afbeelding die  anderen hebben gemaakt schaam- teloos overnemen, want alles is al  een keer gedaan. Aanvankelijk  kreeg ik het verwijt dat ik aan de  haal ging met tekeningen en foto’s  van anderen, maar dat was dankzij  de opkomst van het postmoder- nisme ineens geen probleem meer.  Het is de kunst om uit iets dat al  bestaat iets nieuws te creëren. Het  gaat erom wat je ermee doet.”  Daarbij heeft hij periodes waarin  hij zich op een bepaald thema con- centreert. Zo was hij gefixeerd op  het zebramotief, de jungle, stripfi- guren, kikkers, popartiesten. In zijn  Franse periode werd alles rood:  2CV, Eiffeltoren, stokbrood. Hij is  zuinig op de figuren die hij uit het  papier snijdt. “Sommigen flikkeren  het sjabloon weg nadat ze hebben  gespoten, maar ik bewaar ze alle- maal. Ik ben een verzamelaar van  mijn eigen shit.” Hij heeft ze nooit  geteld, maar schat dat zijn beeld- bank minimaal honderdduizend  sjablonen omvat.   Ook nu zijn werkdrift zich in succes vertaalt, bleef hij min of meer het enfant ter- rible van de cultuursector – hij was  de barbaar die ooit zijn particuliere  visie op het Melkmeisje op de  muren van het Rijksmuseum losliet  – voor wie alles beter is dan op- gaan in de amorfe middelmaat van  de mainstream. Zijn kunstwerk op  festival Twente Biënnale ontlokte  protest aan de joodse gemeenschap  omdat de vlag van Islamitische  Staat erin was verwerkt. Het ver- weer dat het tableau juist was be- doeld als waarschuwing tegen IS,  maakte geen indruk. Nadat hij  doodsbedreigingen had gekregen  en hem per mail een onthoofding  door de terreurbeweging was toe- gewenst, besloot Kaagman de ge- wraakte vlag over te schilderen.   Van geheel andere orde was de  door de gemeente Amsterdam op- gelegde verplichting om op straffe  van een boete van 2500 euro een  muurschildering van Willy Alberti  en Sinterklaas weg te kwasten. Het  tafereel was op verzoek van een  kunsthandel aangebracht op de  gevel, maar volgens de stad betrof  het een reclame-uiting die de aan- blik van een monument bedierf.  Omstreden was ook de betegeling  van de Stadshaard in Enschede,  een warmtekrachtcentrale op de  onheilsplekplek waar zich de vuur- werkramp had voltrokken. De  Stadshaard, door NRC Handelsblad  uitgeroepen tot het lelijkste gebouw  van Nederland, werd het decor voor  het etaleren van een plaatselijke  canon, met illustraties die verwij- zen naar bekende inwoners, loca- ties en gebeurtenissen. Het ‘hoogste  gebouw in Delfts blauw ter wereld’  kreeg kritiek uit de PVV-hoek: de  toren van 45 meter stak boven de  naburige kerk uit en zou eruit zien  als een blauwe moskee.   Het is niet gauw goed. Andere cri- tici bespeurden in zijn op Delfts  blauw geënte werken juist een on- gezonde hang naar naargeestig na- tionalisme, weer anderen spraken  smalend van edelkitsch. Intussen  had hij een stijl te pakken die bij- droeg tot zijn doorbraak: met een  bestelbus vol potten blauwe verf  reisde hij naar Schiphol Terminal  West, dat hij aan een uitgesproken  Hollands aanzien hielp.   Die expeditie was indirect een  gevolg van de antropologische stu- die die hij in 1990 ondernam om  het wezen van de Nederlandse cul- tuur te onderzoeken. Op Marken,  in de Keukenhof en in Volendam  legde hij met een filmcamera vast  hoe ons land er door de ogen van  een Japanse toerist uitziet – een er- varing die hem inspireerde om zich  in Delfts blauw te verdiepen en  Dutch tribal art te gaan vervaardi- gen met symbolische iconen als  molens, hunebedden en Escher. Hij  liep daarmee voor de troepen uit –  lang voordat Marcel Wanders, Stu- dio Job en andere grootheden van  Dutch Design zich op de volks- kunst stortten.   Het pad is geëffend voor de volgende generatie urban artists, met aan de top feno- meen Bansky, aan wie pal naast het  Van Gogh Museum een eigen mu- seum is gewijd. Bezoekers brengen  bewonderenswaardig veel geduld  op voordat ze aan de beurt zijn en  naar binnen mogen. Binnen enkele  maanden zal in de voormalige  IJhal in Amsterdam-Noord het  grootste street art-museum ter we- reld openen.   Hugo Kaagman is gevraagd om  curator van de kunst- afdeling te  worden. Gaat hij doen, natuurlijk.  Zoiets is hij als Dutch Godfather of  Stencil Graffiti aan zijn stand ver- plicht.     Onderschrift
HUGO KAAGMAN  STENCIL KING