Hugo Kaagman werd op 3 januari 1955 geboren in Haarlem. Al op vroege leeftijd begon Kaagman met het maken van pentekeningen van de dingen die hij in de natuur zag. Na de middelbare school, in 1972, verhuisde Kaagman naar de hoofdstad om er tot 1976 sociale geografie te studeren, want van de kunstacademie was in huize Kaagman geen sprake.

In datzelfde jaar bedacht hij twaalf happenings, in de geest van Fluxus. Een van de happenings is tweemaal opgevoerd bij Kaagmans afscheid van de universiteit. Deze droeg de titel 'Vive les Etudiants' en bestond uit het huren van twee studenten. Ze moesten voor zichzelf demonstreren. Kaagman vervaardigde het spandoek met de tekst 'vive les Etudiants' en liet ze daarmee lopen van het Maupoleum tot het nationaal monument op de Dam.

Hij ging op reis naar Marokko en schreef in drie maanden tijd zijn 120 pagina's tellende boek Bab Boujeloud. In navolging van Fluxus bestempelde hij het gebeuren rond de stadspoort Bab Boujeloud als een "ready made happening", een gevonden situatie. Als de argeloze bezoeker door de poort loopt, komt hij in een soort tijdmachine terecht. Opeens wordt hij omringd door gidsen, bedelaars, dealers en gekken: de cultuurschok manifesteert zich.

Na terugkeer in Amsterdam gaf hij het boek onder eigen beheer uit en vond al snel aansluiting bij de opkomende punkbeweging, vooral de filosofie van het zelf doen, het `Do It Yourself' principe en de collagestijl spraken hem aan.

In 1977 kraakte hij de Sarphatistraat 62 te Amsterdam. Het werd de woon en/of werkplaats van verschillende kunstenaars en studenten. Er werden veel initiatieven in de nieuwe woonruimten ontplooid. Zo richtte Kaagman samen met Christiaan Kanstatt er de KoeCrandt, het eerste punkblad van Nederland, op . In dit tijdschrift werden onder zijn redactie tot 1981 de ideeen van de Nederlandse punkbeweging geuit. In 1978, ontstond punkclub DDT 666.  Deze werd door zowel Kaagman, de punkdichteres Diana Ozon en Ludwig Wisch beheerd. Weer een jaar later moest de punkclub plaats maken voor de succesvolle galerie ANUS. Er was een ruime keuze uit produkten, die vaak in eigen beheer door Kaagman en Ozon werden uitgebracht. Verder werd de galerie een trefpunt voor punks en andere belangstellenden. Iedereen met artistieke aspiraties kon er terecht. Naast een stencilmachine stonden eveneens de gevel en de entree van het pand ter beschikking voor graffitici. Doordat er steeds andere graffiti werd aangebracht, veranderde het uiterlijk van het huis wekelijks. In 1980, veranderde de naam van de galerie in Ozon. Daar werden kant-en-klare kunstprodukten verkocht. Deze bestonden uit werken op papier, t-shirts, maar ook fotokopieen, de zogenaamde `fotokopie art'. Kaagman meende dat de kunst voor iedereen toegankelijk moest zijn, dat hield voor hem tevens in gemakkelijk reproduceerbaar. Deze gedachte illustreerde hij op verschillende wijzen, hij bracht bijvoorbeeld `het Melkmeisje' van Vermeer over op t-shirts en op de buitenmuur van het Rijksmuseum te Amsterdam. Vanuit de gedachten van de fotokopie art ontstonden ook de eerste idee'n voor de zogenaamde 'art-o-maat'. Het apparaat werd gevuld met bespoten sigarettendoosjes voorzien van een eigen design en met speciale grafische uitgaven als inhoud: fotokopie art in kleur, verkleinde uitgaven van de KoeCrandt en gedichtenbundels. De pakjes waren voor fl. 2,50 uit de `art-o-maat' te halen. Een een jaar later veranderde de galerie in Zebra: zwartwit werden de kleuren voor Kaagman.

In zijn atelier begon Kaagman in deze periode met airbrush op papier en doek te werken, waarbij hij steeds verder experimenteerde met het gebruik van sjablonen. Combinaties van sjabloon  technieken met handgespoten elementen ontstonden. Kaagman: "Het werken met sjablonen is een techniek die niet alleen het voordeel heeft dat beelden overal op overgebracht kunnen worden, maar ook dat door herhaling in steeds andere combinaties steeds weer nieuwe interpretaties mogelijk zijn. Zo steekt er achter elk sjabloon een idee. Het zijn symbolen die alleen al door de plaats waar ze gespoten zijn een betekenis krijgen." Zijn sjablonen werden in de loop der jaren steeds verfijnder. Ook krijgen de uitgesneden sjablonen een herkenbaar karakter, de harde lijn naast de zachte en veel schaduweffecten. In het begin van zijn carriere beperkte Kaagman zich tot het uitsnijden van provocatieve motieven en de "No Future"-gedachten. De Apocalypse is dan een veelvuldig onderwerp. Al snel daarna krijgen de werken een psychedelische aard: door een ritmische herhaling van patronen ontstaat er een optische werking met een hallucinerend effect. Uit deze schilderijen spreekt een meer positieve en constructieve levenshouding.

Tijdens zijn reizen door Afrika raakte hij gefascineerd door de abstracte geometrische `kunst' op moskee'n en begraafplaatsen. In het holst van de nacht met spuitbus gemaakt, terwijl er met airbrush weloverwogen composities in zijn atelier ontstonden. In 1983 kreeg Kaagman zijn eerste officiele opdracht van de buurtgroep Nieuwe Amstelstraat, in verband met woningbouw rondom het Waterlooplein: het beschilderen van een 120 meter lange schutting tegenover de in aanbouw zijnde Stopera.

In 1985 kreeg Kaagman een opdracht voor de Transvaalbuurt in Amsterdam. Hij spoot op de buitenkant grote Marokkaanse blokmotieven, die op een Esscher-achtige wijze overliepen in vliegende haaien en een doorlopend landschap. Kaagman vloog naar Griekenland om een twintig meter lange muur te beschilderen in de Marco Moussouroustraat in Athene, in het kader van het Cultural Capital Festival: een Loch Ness-achtig zeemonster en blokmotieven en Griekse letters. Vanaf 1986 maakt Kaagman voornamelijk werken op canvas en papier. In deze werken was het turquoise lange tijd zijn favoriete kleur en was de voorstelling vrijwel abstract. In 1987 beschilderde hij de ingang van het Tropenmuseum in Amsterdam geheel in Marokkaanse stijl . In 1988 verzocht de Ru Pare school in Amsterdam om een wandschildering om hun naamsverandering mee te vieren. Op de muur bij de speelplaats spoot Kaagman een reusachtige figuratieve schildering met gebouwen en torens uit de culturen van de kinderen, die de school bezochten. Kerken, moskee'n, de toren van Pisa, Stonehenge, de Stopera, de Towerbridge, de Sfynx en Pyramiden. Een educatief zoekplaatje. In hetzelfde jaar begon Kaagman te exposeren in de Amsterdamse galerie The Living Room.

 In 1989 besloot Kaagman zich te concentreren op de erfenis van zijn eigen land. Het uitgangspunt was het Delftse porselein, in zijn woorden een stuk "Dutch tribal art". Op zijn blauwwitte schilderijen, nog steeds Een bij een meter, verschijnen stereotype beelden uit de Nederlandse cultuur in verfrissende combinaties. Windmolens, klederdrachten, gevels en tulpen verschijnen naast Willy Alberti, Tante Leen en stripfiguren. De speurtocht naar de Nederlandse identiteit bestond uit dicht bij huis totaal anders tegen het leven aan te kijken en dingen doen je eigenlijk nooit leuk vond. De hoekmotieven waren ontleend aan zeventiende-eeuwse Oudhollandse tegels, terwijl voor de invulling een lans werd gebroken voor verguisde Hollandse elementen. Zo was er het statement voor de zangers van het levenslied; het prijzen van de windmolen als ecologische energiebron en het romantiseren van toeristische elementen. Kaagman balanceerde op het randje van kitsch en kunst; een spel met High en Low Art als reactie op de Smart Art uit Amerika van onder meer Jef Koons. Hoewel Kaagmans werk aanvankelijk niet van enige ironie gespeend was, romantiseerde hij de Oudhollandse cultuur steeds meer.

Bestudering van de geschiedenis van het Delfts blauw en de Verenigde Oostindische Compagnie leidde tot steeds meer invloeden uit China en Japan. Zo deed in zijn werk de schotel zijn intrede, van vierkant naar rond, terwijl de kleur beperkt bleef tot diep donkerblauw. In dit idioom heeft Kaagman een paar opdrachten gedaan. Direkt naast de Westertoren, tegenover het Anne Frank huis, schilderde Kaagman in 1992, in opdracht van de Gemeente Amsterdam, een grote Delftsblauwe schotel op de muur. Het randmotief was opgebouwd uit een Chinees Mingpatroon in combinatie met een gespiegelde roos, terwijl centraal in de schotel een pittoresk doorkijkje op de Westertoren te zien is . Een hommage aan de Jordaan, die door de afmeting een surrealistische aanblik biedt tussen de huizen.

In 1993 maakte Kaagman een 65 meter lange wandschildering voor de nieuwe Terminal West van de Luchthaven Schiphol, als `Hollandising', het vernederlandsen van de ruimte.

In 1993 deed Kaagman mee aan de reizende expositie Nether Art van tien jonge Nederlandse kunstenaars in Amerika. In opdracht van Stichting Kunst & Onderneming richtte hij drie etalages van de Grey Art Gallery te New York in met doeken. Zowel titel als omslag van de catalogus waren door Kaagman geleverd. Alles in 'Kaagware', Kaagmans interpretatie van het Delfts blauw.

In 1993 werd de Ru Pare school afgebroken en werd er gevraagd om een nieuwe muurschildering te maken. Het werd  'Mini Wereld' met gebouwen uit, onder meer, Amerika en Frankrijk. Onder aan de berg is een trap te zien, die naar boven leidt en de eerste stappen in de maatschappij symboliseert. Aan de ene kant van de berg vliegt een vliegtuig naar onbekende verten, terwijl aan de andere kant twee zwaluwen naar de vrijheid vliegen.

In 1994 werd Kaagman door collega Rob Scholte gevraagd om in zijn Japan projekt te participeren. In het Paleis Huis ten Bosch, beschilderde Kaagman drie tuindeuren vol Delftsblauwe tegels met eigentijdse afbeeldingen: van Khomeiny tot weedblaadjes en M.E'ers. Hij bezocht de musea, collecties en ateliers van het Japans porselein. De video-stills ervan werden later uitgesneden.

Hierna koos Kaagman plotseling voor Frans rood: tegels met leliemotieven. St. Tropez beschouwde hij als tegenhanger van Volendam. In plaats van het Hollandse chagrijn het 'joie de vivre' van het zonnige zuiden: B.B, Serge Gainsbourg en Johnny Halliday, sigaretten en motoren. In Frans rood verschijnen Eiffeltorens, Notre Dames op zijn doeken in Vaserely motieven. Bezoek aan Franse supermarkt inspireerden hem tot schilderijen,die de vercommercialisering van cultuurbegrippen als uitgangspunt hebben. Voor het eerst snijdt Kaagman logo's van bekende merken: Marloboro, Gitanes, Camel, Harley Davidson, Coca Cola. Met abstracte kleurvlakken als ondergrond verschijnen commerciële verpakkingen van niet bestaande consumptieartikelen. De schilderijen lijken op het overzichtskanaal van de kabeltelevisie.

Het strakke lijnenspel en de haast theosofische opbouw doen sterk denken aan Mondriaan. Maar de Japanse pornoteksten zijn nauwelijks te lezen.

Het jaar 1996 begon met een atelier in Den Bosch: een cel met een tafel/stoel en een bonk klei. In het Europees Keramies Werk Centrum werkte Kaagman 3 maanden. De klei eenmaal machtig ontstonden Delftsblauwe bakjes en grottenpotten. Ook het stripfiguur Olie Buma , Ethiopiese obelisken, Loch Ness-trays en maskers.

Aan het eind van het jaar vroeg Wolters-Kluwer om 7 schilderijen, die de landen zouden tonen waarin ze actief zijn, gezien door het Delftsblauw. De werelddelen werden in verschillende patronen geplaatst, met typiese symboliek. In het werk Belgie/Nederland zitten de portretten van de 4 bestuursleden gevat in tegel. Een visser in een bootje vist een boek, achter hem het Atomium en een molen. Een gigantiese Escher regenboog doorklieft de lucht boven het laaglanderige landsschap.

Een jaar later kreeg Kaagman de opdracht een Heineken-kamer te maken in het Winston Hotel, in een reeks gesponsorde kunstkamers. Deze keer koos hij voor het merknaam als uitgangspunt en ontwierp Heineken-tegels, groen met zwart. Daarbinnen vulde hij met rood beelden uit de omgeving en pin-ups. BB's en de Methadonbus met injectienaalden en pilletjes. Achter het bed zijn levensgroot medaillons van de enige prijs die de bierbrouwer ooit heeft gekregen, met daarboven de tekst: Prix d'Honneur ,1883 .

Een strikt geheim contract voor het maken van een schilderij dat een "celebration of my community" moest zijn, was het begin van een nieuwe vlucht in het werk van Kaagman. Het schilderij "Delftblue Daybreak" werd een compacte en abstrakte samenvatting van zijn research naar de Nederlandse geschiedenis. De Kaagware staat symbool voor de Nederlandse gemeenschap en is terug te vinden op tickets, labels, pennen, paraplu's en tapijten en op 7 vliegtuigen, Boeing 777, Boeing 747, Boeing 737, RJ 100 jet, the City Flyer als Delftblue Daybreak.

1998 begon met: "Let's make things better". Philips wilde een grafiek aanbieden aan de 10.000 medewerkers, voor hun inzet, omdat ze 501 miljoen winst hadden gemaakt op hun hun sector. Een celebration moest het weer worden, maar dan van producten: o.a. de geliefde Billy, broodrooster en föhn. Kaagman zette de schaar in het Philips logo en de folders. Nieuwe tegels ontstonden met een duidelijke Philips uitstraling. De ouderwetse golfjes lopen in de rand door alsof het een zee is. De sterretjes schitteren als hoekmotieven en omvatten verwijzingen naar de produkten. Een tegel is een Love-tegel geworden, een voorbeeld van logo piracy, de sterren zijn vervangen door hartjes. Een Afrikaanse man op een vlot contrasteert met ruimtevaarders die aan boord gaan. Binnen het kader zweven de succesvolle producten rond naar een concentrisch midden, daar verrijst een wolkenkrabber stad met de Westertoren, het is Amsterdam de stad waar Philips naar gaat verhuizen. Erboven in de lucht hangt het magiese getal tussen de wolken, meer dan vijfhonderd miljoen. In hetzelfde jaar werkt aan een patronenfilm in galerie Montevideo. Een montage van mozaïeken, die door inzooming en scrolling tot leven worden gewekt, waarna er een veelvoud aan effecten op wordt losgelaten. Een veejay of chillcave experience. Ook wordt er nog geschilderd, op papier en doek. Een heruitgave van "Bab Boujeloud" staat op stapel en Marokkaanse patronen zijn actueel in het werk. In 1999 begon de grote doorbraak. Een verfilming van zijn artistieke excursies en twee grote tentoonstellingen maakte zijn werk geliefd bij een groot deel van de bevolking.Exposities in Argentinië,Griekenland, New York in het Walhalla van de keramiek Garth Clark Gallery, opdrachten voor boten, treinstations, havenbeelden, schotels, complete uitzetten, keukens, kamers..Kortom, een hoop dingen wel.Sindsdien is zijn werk onbetaalbaar geworden en valt het niet meer aan te slepen. De langverwachte expositie die Rudi Fuchs in het Stedelijk zou maken is door huishoudelijke problemen afgezegd. Verzamelaars slaan zich heden ten dage voor hun kop, jarenlang zijn ze artKitchen voorbij gelopen zonder een blik binnen te gunnen. Nu kunnen ze alleen nog terecht op de Franse veiling, en natuurlijk direct op zijn GSM: tel.0031651483623  © Hugo Kaagman